Braij, Salomon de (1597 - 1664)
Salomon de Braij werd in 1597 te Amsterdam geboren als zoon van een immigrant
uit de Zuidelijke Nederlanden. Voor 1617 moet Salomon verhuisd zijn naar Haarlem,
toen hij werd vermeld als 'beminnaer' van de rederijkerskamer De Wijngaardranken.
Volgens een memorie, die Theodoor Rodenburg in 1621 voor de Deense koning Christiaan
IV maakte, was Salomon in de leer geweest bij Hendrick
Goltzius en Cornelis Cornelisz van Haarlem. Van een verblijf van Salomon in
Denemarken is echter niets bekend. De Braij schilderde zowel historiestukken,
portretten als landschappen. De belangrijkste opdracht die hij ontving was die
voor Huis ten Bosch. Daarnaast moet hij verschillende altaarstukken hebben gemaakt
voor katholieke schuilkerken. Behalve als schilder was De Braij actief als ontwerper
van zilverwerk, als dichter, als architect en als stedenbouwkundige. In 1627 verscheen
in Amsterdam De Brays bundel met liefdesgedichten Minne Zughjes. Uytgedruckt in
liedekens/klinckvaersen/ en andere rijmen. In 1631 publiceerde hij Architectura
Moderna ofte Bouwinge van onsen tyt. Het bevat een groot aantal gravures met ontwerpen
van voornamelijk Hendrick de Keyser. De prenten werden
toegelicht door De Braij, die ook een inleiding schreef die te lezen is als een
theoretisch traktaat. In 1661 publiceerde hij zijn Bedenckingen over het uytleggen
en vergrooten der stadt Haarlem, waarin hij zijn ideeën over de stadsuitbreiding
van Haarlem uiteenzette. De Braij noemde zich steevast schilderarchitect, maar
veel werk van hem als bouwmeester is niet bekend. Het vroegste is uit 1627, toen
hij betaald werd voor zijn ontwerpen van de Haarlemse Zijlpoort. Verder was hij
onder meer betrokken bij de verbouwing van het Haarlemse stadhuis, het kasteel
te Warmond en de bouw van het burgerweeshuis te Nijmegen. De Braij was bevriend
met de componist Cornelis Padbrué, die in 1631 de bundel Kusies publiceer-de.
In de tweede editie van deze zangbundel staat ook een compositie op een gedicht
van De Braij. In 1664 stierf Salomon de Braij, waarschijnlijk aan de pest.
- Odysseus en Circe, ca. 1650