Dada en de opstand tegen de burgerlijke cultuur

Juist de bourgeoisie werd het mikpunt van Dada's beeldenstorm. Wat de Dadaïsten vooral verafschuwden was:
- de strak geregelementeerde maatschappelijke orde, die vast was overtuigd van haar waarden en van haar gelijk, en die tot geen enkele verandering bereid was.
- de zelfverzekerde, stijve en pedante houding van de burgers en de leidinggevende klasse die leven in een keurslijf.
- het pragmatisch rationalisme van een agressieve technische cultuur, die alles kapot maakt, wat niet in zijn organisatie past.
- het leger dat deze cultuur, en in het bijzonder de nationale sentimenten, versterkt en in stand houdt.
- de negering en de verdrukking van spontane gevoelens, van dromen, irrationele impulsen, angsten, begeerten, fantasieën en sexualiteit, van het wonderlijke, verrassende en het afwijkende.

De burgerlijke cultuur werd door de dadaisten veroordeeld als aanstichter van de gruwelijke massaslachtingen gedurende de Eerste Wereldoorlog van 1914 tot 1918. De uitzichtloze loopgravenoorlog holde de cultuur op grote schaal uit en Dada vernietigde deze slappe cultuur bewust.
Dada streed tegen moraal, eer, vaderlandsliefde, wetenschap, idealen, kennis, schoonheid, logica en tegen de beschaving zelf. 'Alles wat we bekijken is vals', meende Tzara. '... genoeg van al die imbeciliteiten, niets meer, niets meer, niets, niets, niets, niets', verkondigde Ribemont-Dessaignes.

Met hun antikunst van collages en andere maaksels wilden ze verwarring zaaien in de waarnemingen en gevoelens van de westerse mens. Pas wanneer de grond onder zijn voeten wegbrokkelde, wanneer hij nergens meer steun in zijn bestaande orde vond, dan pas zou hij opnieuw gaan leven.
- durf te vertrouwen op je eigen ervaringen, ga af op wat je zelf ziet, ruikt, proeft. Maak dat tot het uitgangspunt van je denken.
- laat de ballast vallen die cultuurdragers torsen, wordt licht en vrij als een vogel. 'Dada omhelst in het bronwater en zijn kussen moeten aanraking van water door vuur zijn', aldus Picabia.
- de wartaal van Dada, 'die kreten als van een pasgeborene'(Peret), zijn de aanvang van een nieuw, niet-logisch denken dat vooralsnog vrijwel elke poging tot interpretatie afweert.

 Enkele plaatsen, namen en data met betrekking tot de voornaamste Dada-akties:

Rond 1913 vinden de optredens van de eerste antikunstenaars Marcel Duchamp, Francis Picabia en Hans Arp.
Dada begint in 1916 te Zürich in het Cabaret Voltaire met Hugo Ball, Tristan Tzara, Hans Arp, Marcel Janco, Hans Richter en Richard Huelsenbeck
Dada slaat vanaf 1917 over naar Berlijn. De voornaamste deelnemers daar zijn: Johann Baader, Wieland Herzfelde en zijn broer Johann (de latere fotocollagist John Heartfield) en Georg Grosz.
Inmiddels zetten in New York in de jaren 1915-1917 Marcel Duchamp, Francis Picabia en Arthur Cravan de kunstwereld dadaïstisch op z'n kop, terwijl ze nog niet weten wat er in Europa gaande is.
In 1919 wordt Keulen een van de Dada-centra met Johannes Baargeld, Hans Arp en Max Ernst. En in Hannover is Kurt Schwitters eenzaam aan het werk.
Na de wapenstilstand bereikt Dada in 1919 in Parijs een hoogtepunt met Tristan Tzara en Francis Picabia en een groep Franse jongeren: André Breton, Louis Aragon, Philippe Soupault, Paul Eluard, Benjamin Péret, Georges Ribemont-Dessaignes, etc.
Daar in Parijs loopt Dada op zijn eind en ruimt rond 1922 het veld voor het opkomende surrealisme. Enkele geïsoleerde Dada-akties lopen door tot in 1923.