Bodon


In 1958 verwierf het museum de prachtige collectie met voornamelijk moderne kunst van D.G. van Beuningen. De naam van het museum werd hierbij veranderd in Boymans-van Beuningen. Het ruimtegebrek in het museum werd echter steeds nijpender en in 1964 werd uiteindelijk besloten om het museum uit te breiden. Verantwoordelijk voor het nieuwe ontwerp waren directeur J.C.Ebbinge Wubben en architect Alexander Bodon. Bij het ontwerp werd rekening gehouden met de nieuwe kunstvormen uit de jaren '60, zoals installaties, performances en hele grote schilderijen. Dit leidde tot een constructie waarbij geen dragende elementen de grote ruimten onderbreken, maar losse en verplaatsbare wanden werden gebruikt. Ook poogde men om een grote openheid te creëren door middel van grote raampartijen aan de straatkant. Hiermee wilde men de drempel letterlijk verlagen, de voorbijgangers betrekken bij het museum en de kunst uit het isolement van de museumzalen halen. De architectuur van de Bodon-vleugel en de wijze van aanbouw geeft duidelijk aan dat het hier om een gedeelte van het museum met een eigen functie gaat. In de keuze van het materiaal (rode baksteen), de proporties en de bouwkundige detaillering is echter gezocht naar een harmonische aansluiting bij het Van der Steur-gebouw. De Bodon-vleugel opende in 1972 en werd enthousiast ontvangen. Eindelijk had Rotterdam, vond men, een ontmoetingsplaats van 'internationale allure'.


Vorm en betekenis in de architectuur