Van der Steur


Het oudste gedeelte van het museum, ontworpen door de toenmalige gemeentearchitect Adrianus van der Steur werd gebouwd tussen 1931 en 1935. Dit ontwerp kwam tot stand in nauwe samenwerking met de directeur van het museum, Dirk Hannema, die volgens zijn eigen woorden het 'streven naar het beste dat in onze tijd mogelijk was' voor ogen had. Om dit te bereiken werd recente vakliteratuur bestudeerd en werd een studiereis ondernomen naar andere Europese musea. Na deze reis werden de belangrijkste eisen voor het museum geformuleerd: Een museum waarin de kunstwerken zo neutraal mogelijk tentoongesteld konden worden en waar variatie in lichtval en zaalgrootte de museumbezoeker voldoende afwisseling zou geven. Het nieuwe Museum Boijmans werd dan ook ontworpen als een reeks lange smalle vleugels rond twee binnenplaatsen: een binnenhof en een buitenhof. De binnenhof is aan alle vier de zijden omsloten. De buitenhof was aan de oostelijke kant open, maar werd begrensd door een sloot die doorliep tot aan de Mathenesserlaan. Het voordeel van een concept van vleugels rond twee binnenplaatsen was, dat alle zalen daglicht konden krijgen. Op de begane grond gebeurde dit door middel van zijlicht en op de eerste verdieping via bovenlichten. De hoofdingang van het gebouw werd gemarkeerd door een toren. Volgens de ideeën van Hannema had de toren een symbolische betekenis, omdat deze de hogere waarden van de schilderkunst aangaf. Bij de opening van het museum gaf echter juist de toren aanleiding tot kritiek. De gemeente vond dat het museum zich 'op een ongepaste wijze verhief boven het nuchtere leven van alledag'. Ook de architecten van de Nieuwe Zakelijkheid hadden kritiek op het in hun ogen conservatieve gebouw.


Vorm en betekenis in de architectuur