5. De Zeventiende Eeuw

5.1. Barok

De barok is een kunststroming die ontstond aan het eind van de 16e eeuw in Italië. Tot ongeveer het eind van de achttiende eeuw bleven kunstenaars in deze stijl werken. De term barok is afgeleid van het woord 'barok' dat juweliers op het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal) gebruikten voor een grillig gevormde parel. De term verwijst daarmee naar de grillige stijlkenmerken die in deze periode in de beeldende kunst en bouwkunst hun intrede deden. De term barok ontstond in eerste instantie als een scheldwoord dat de nieuwe bizarre vormen die afweken van het sobere renaissance-ideaal hekelde.

Kenmerken van de Barok:
  1. De Barok is bij uitstek een kunstvorm die gebruikt werd door rijke machthebbers als propagandamiddel met aan de ene kant de kerk en aan de andere kant de wereldlijke macht.
  2. De barok had vooral een heel religieuze inslag. De Katholieke kerk had het behoorlijk moeilijk gehad onder de aanvallen van de reformatie. In 1543 en 1546 hadden Luther en Calvijn hun anti-Katholieke geschriften gepubliceerd. Vooral in de noordelijke gebieden van Europa vonden deze hervormers veel navolging. Godsdienstoorlogen volgden maar de Katholieke kerk bleef machtig. Toen de onrust rond de kerkhervormingen wat geluwd was, startte de Katholieke kerk vol goede moed nieuwe initiatieven: zij richtte nieuwe ordes op en liet veel nieuwe kerken bouwen. Dit wordt de contra-reformatie genoemd. De kerk had nu een middel nodig om de kerkgangers te overtuigen van de kerkelijke superioriteit. De Barok was bij uitstek geschikt om bezoekers te overdonderen, niet alleen door de pracht en praal, door op een hemels paradijs op aarde te lijken, maar ook door grootse theatrale effecten. De gelovige moest zoveel mogelijk worden meegesleept door dit machtsvertoon.
  3. De kunstenaars van de Barok streefden naar een zo groot mogelijk dramatisch effect in hun werk en op de toeschouwer. Het ging de schilder om het weergeven van het dramatisch hoogtepunt van een verhaal en de reacties van de personen daarop.
  4. De personen op schilderijen worden daarom gekenmerkt door sterk uitgebeelde gevoelens en heftige gebaren.
  5. Verder worden dramatische effecten bereikt door sterke licht/donker-contrasten, diepe volle kleuren.
  6. Er is beweging, veroorzaakt door een dynamische compositie met diagonale lijnen, verspringende vlakken en afsnijdingen.
  7. De Barokschilder schildert realistisch, naar de natuur. Hij streeft er naar de werkelijkheid zo echt mogelijk af te beelden (illusionisme).
  8. In de Barokperiode werken schilder, beeldhouwer en architect vaak samen. In een Barok gebouw smelten schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunst samen tot een totaalkunstwerk.
  9. In zekere zin kan de barok beschouwd worden als een reactie op de sobere rationele kunst van de Renaissance. Toch blijft men ten tijde van de Barok gebruik maken van de kunstzinnige principes verworven in de Renaissance.

5.2. Historieschilderkunst

Volgens de zeventiende-eeuwse opvatting was het historiestuk het hoogste in de hiërarchie van onderwerpen die een schilder kon kiezen. Ook in Holland was men het daar over eens. Voor een goede uitbeelding van een historie of een personage daaruit moest een kunstenaar de menselijke figuur overtuigend kunnen weer geven. De mens, volgens Genesis (1:26-27) door God geschapen naar Zijn gelijkenis en evenbeeld, was van al het afbeeldbare het belangrijkste en het moeilijkste. De historieschilder moest ook de landschappen en de vertrekken waarin de figuren zich bewegen goed kunnen weergeven, met alle stillevenaccesoires.Ook kon hij niet domweg schilderen wat hij voor zijn ogen zag. Eerst diende hij zich in zijn geest een beeld te scheppen van de episode die hij wilde schilderen en zich op de hoogte stellen van het verleden waarin die zich afspeelde. De emoties van de figuren en hun reacties op elkaar moesten overtuigend zijn en kloppen met het verhaal. Het maken van een goed historiestuk was kortom het hoogste wat een schilder kon nastreven of bereiken.


5.3. Utrechtse Caravaggisten

Verschillende Hollandse schilders gingen na 1600 naar Rome en waren diep onder de indruk van Caravaggio. Wat hen aansprak in het werk van Caravaggio waren onder andere zijn realistische behandeling van sacrale onderwerpen, zijn monumentale composities en zijn gebruik van clair-obscur: de contrasten van licht en schaduw die hij gebruikte om de dramatische kracht van een tafereel te verhogen. Een verklaring voor het feit dat vooral in Utrecht Caravaggio's schilderswijze navolging kreeg, is dat in Utrecht een (Katholieke) aartsbisschop resideerde, terwijl elders in het Noorden steeds meer het protestantisme op kwam. De zestiende eeuwse paus Adrianus VI was uit Utrecht afkomstig. Utrechtse schilders kregen nog steeds opdrachten voor groot opgezette religieuze werken en werden in historisch schilderen opgeleid.
De Utrechtse kunstenaars bewonderden niet alleen de religieuze elementen in het werk van Caravaggio. Ze namen ook de in heldere kleuren geklede jongemannen over. De schilders Ter Brugghen en Honthorst namen zulke figuren apart, voorzagen hen van muziekinstrumenten of wijnglazen en plaatsten hen veelal aan een open raam of achter een balustrade, vanwaar zij de beschouwer direkt aankijken. Het duister coloriet van Caravaggio maakten ze lichter. Karakteristiek voor de Utrechtse Caravaggisten zijn het kleurengamma, de vrij donkere figuren tegen vrij lichte achtergronden en een voorkeur voor figuren ten halven lijve en voor bepaalde bijbelse en pastorale onderwerpen.


5.4. Classicisme

Het zo vergeten en verguisde Classicisme tekent zich steeds af als reactie, eerst omstreeks 1610 op het Maniërisme, dan tegen 1630 op het Caravaggisme.

Kenmerken van het Classicisme:
  1. Dit Classicisme trad door de zeventiende eeuw heen op als tendens en reactie op wat als gril en exces werd gevoeld. Het Classicisme was een internationale stroming die uitdrukking gaf aan de smaak van een internationale elite van edelen en intelligentia. Een stroming die hoofdzakelijk in Frankrijk bekend was, met schilders als Poussin als bekendste representant. Pas nu beseffen we dat het Classicisme in Nederland niet minder belangrijk is geweest.
  2. De Classicisten keken naar de beeldhouwkunst uit de Klassieke Oudheid en de kunst van de Hoog Renaissance. Daaruit maakten zij op dat de natuur moest worden nagevolgd, maar dan alleen het fraaie daaruit, waarbij speciaal vaak het naakt genoemd werd.
  3. Het ging de Classicisten om helderheid en voornaamheid; heftigheid en wilde beweging wilden ze vermijden.
  4. Een schilderij moest overzichtelijk zijn en de belichting gelijkmatig.
  5. Een schilderij met gedetailleerde uitvoering genoot de voorkeur boven de brede penseelstreek.
  6. Opvallend aan veel classicistische werken is het vaak monumentale formaat. De schilderijen moesten de grandeur van hun opdrachtgevers uitstralen, opdrachtgevers die bovendien in royaal bemeten onderkomens woonden, dit in tegenstelling tot de vaak kleiner behuisde klandizie van de Hollandse Realisten. De doeken van de Classicisten maakten vaak deel uit van de architectuur van het interieur.Meestal waren de schilderijen bestemd voor representatieve ruimtes van paleizen en overheidsgebouwen en fungeerden daarin min of meer als wandschilderingen.

5.5. Hollands Classicisme

Lees voor de algemene kenmerken van het Classicisme Hoofdstuk 5.4.
In de zeventiende eeuw was er een groep schilders die vanuit een hele andere hoek schilderde, namelijk geen alledaagse realiteit maar taferelen op basis van verhalen uit de klassieke oudheid. Hun figuren modelleerden ze naar sculpturen uit diezelfde oudheid en plaatsten deze in niet bestaande arcadische landschappen en paleisachtige omgevingen. Hun geïdealiseerde wereld bevolkt door mythologische figurenen rijkelijk voorzien van klassiek naakt, stond ver af van het leven van alledag. Blankert stelt in de inleiding van de catalogus 'Hollands Classicisme in de zeventiende- eeuwse schilderkunst' dat de schilderijen van de classicisten de meest gezochte, best betaalde en drukst besproken schilderijen waren'. Het hof en de klassiek geschoolde intelligentia voelden zich ver verheven boven de dagelijkse beslommeringen van de burgerij. Vandaar hun voorkeur voor mythologische onderwerpen.

Het Hollands Classicisme ontplooide zich in Haarlem, door Karel Van Manders' boek Wtlegginghe op den Metamorphosis waarin hij uitleg gaf van vertalingen van Ovidius.
Goltzius en zijn leerlingen waren toonaangevend voor het begin van het Hollands Classicisme.



Achtergrond Informatie